Echtscheiding en de dood

Wanneer ik om mij heen kijk en praat met collega familierecht advocaten dan zie ik dat er rondom echtscheidingen veel geregeld wordt en dat de kwaliteit van de convenanten die opgesteld worden steeds uitgebreider en kwalitatief van een hoger niveau worden. Zo kennen bijvoorbeeld heel veel convenanten inmiddels een aparte fiscale paragraaf, waarin regelingen worden opgenomen over de belastingaangifte, het eindigen van het fiscaal partnerschap en soms zelfs een regeling hoe te handelen voor het geval de belastingdienst in een bepaalde overeenkomst een belaste bevoordeling ziet. Regelingen, die een paar jaar geleden nog nauwelijks werden opgenomen. Een goede ontwikkeling. Het is immers taak van de advocatuur om de belangen van cliënten te behartigen en om problemen te voorkomen.

Enigszins onderbelicht, naar mijn mening, zijn de gevolgen van overlijden ten tijde van en na een echtscheidingsprocedure. Daar wordt in de praktijk nog te weinig bij stil gestaan, terwijl de materiële gevolgen, naast de emotionele gevolgen groot zijn. Wie wijst zijn cliënten op het mogelijk belang van het opstellen van een testament, juist met het oog op de echtscheiding? En wat zijn de gevolgen van een echtscheiding voor de geldigheid van een uiterste wil?

Echtgenoot

In verreweg de meeste testamenten wordt een regeling opgenomen die voorziet in de bescherming van de levenspartner. Niet zelden komen we in een testament de bepaling tegen waarin de erflater zijn echtgeno(o)t(e) tot enig erfgenaam benoemd. Dat de ex-partner nadat de echtscheiding van kracht is geworden geen beroep meer kan doen op deze bepaling leidt tot geen enkele discussie. Er is immers geen sprake meer van een echtgenote.[1]  Maar wat als de echtscheiding inmiddels is aangevraagd, maar nog niet is uitgesproken en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand? Het huwelijk is nog in stand en de ex-partner is nog altijd echtgenoot of echtgenote. Kan hij of zij dan wel een beroep doen op zo’n uiterste wilsbeschikking en er met de nalatenschap vandoor gaan?

Wanneer we de tekst van de wet volgen, dan moet er sprake zijn van een ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Een slechts aanhangige echtscheiding valt daar niet onder. Dat voelt niet goed.

In 2008 speelde zich voor de Rechtbank Groningen een kort geding af waarin een ex-echtgenote afgifte vorderde van de auto van haar overleden ex-partner. De echtscheiding was weliswaar enige tijd voor het overlijden door de Rechtbank uitgesproken, maar niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk was dan ook niet ontbonden.

Letterlijke toepassing van artikel 4:52 BW zou leiden tot toewijzing van de vordering van de ex-echtgenote[2]. De realiteit was anders. De ex-partner ging niet met de auto naar huis, maar met een fikse proceskostenveroordeling. De kantonrechter oordeelde namelijk dat er in deze situatie reden was om artikel 52 analoog toe te passen.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat niet gesteld of gebleken is dat de echtscheiding in dit geval opzettelijk achterwege is gebleven; er moet vanuit worden gegaan dat er geen oogmerk heeft bestaan om het huwelijk (alsnog) in stand te laten, maar dat louter door toeval of vergeetachtigheid inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet heeft plaatsgevonden. [eiseres] bedoelde het huwelijk met de heer [X] te doen eindigen, slechts door een buiten haar wil gelegen oorzaak is dat niet gerealiseerd. Daarmee is de nu gegeven situatie zozeer op één lijn te stellen met het door de wet in art. 1:52 BW geregelde geval, dat de voorzieningenrechter uitgaat van analogische toepassing van die bepaling.[3]

Meerdere wegen

Professor mr. T.J. Mellema-Kranenburg verwijst voor slechts aanhangig gemaakte echtscheidingen naar de onjuiste beweegredenen van artikel 4:43 lid 2 BW[4][5]. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis  wordt het voorbeeld genoemd van een uiterste wilsbeschikking ten voordele van een huishoudster gemaakt, die als zodanig in de uiterste wilsbeschikking is aangeduid, indien zij op het moment van overlijden geen huishoudster meer is. Onder het oude erfrecht dat geen vergelijkbare bepaling als die van artikel 52 kende speelde de dwaling in de beweegreden met name een rol bij het gebruik van de woorden ‘mijn echtgenote.[6]

Anders is de benadering van de Rechtbank Rotterdam die aanknoopt bij artikel 46 boek 4 BW. De Rechtbank overweegt als volgt[7]:De door de moeder aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure en haar wens om de echtscheidingsbeschikking in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand vormen tezamen genomen een duidelijke aanwijzing dat de moeder de vader niet langer als haar echtgenoot wenste te zien en dat zij beoogde het huwelijk met de vader te doen eindigen. Slechts door een buiten haar wil gelegen oorzaak is dat niet gerealiseerd. Onweersproken is dat de vader niet wilde meewerken aan de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand en dat de moeder moest wachten tot het verstrijken van de termijn van hoger beroep. Er moet daarom vanuit gegaan worden dat de moeder niet meer het oogmerk had het huwelijk nog in stand te laten, maar dat louter door de omstandigheid dat de vader niet wilde meewerken, inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet heeft plaatsgevonden.

Het feit dat een echtscheiding nog niet voltooid is betekent dan ook niet dat de ex-partner zich zonder meer als erfgenaam kan opstellen. Maar enig risico bestaat wel. Zo zou de ex-partner kunnen stellen dat er aan een verzoening werd gewerkt of dat erflater heel bewust de echtscheiding niet definitief wilde maken. Om deze risico’s uit te sluiten en discussies te voorkomen is het raadzaam een wijziging van testament, ook al is dit voor korte duur, te overwegen.

Maar daar zijn meer redenen voor. De misschien wel belangrijkste reden is gelegen in artikel 245 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is bepaald dat ouders, die het gezag hebben over hun kinderen, het bewind voeren over het vermogen van de kinderen. Ervan uitgaande dat de kinderen de enige erfgenamen zijn van hun overleden gescheiden ouder, betekent dit dat de ex-echtgenoot het bewind krijgt over de erfenis van de overleden ex-partner. En dit kan wel eens zeer ongewenst zijn.

En wat te denken van het onverhoopt overlijden van het (ongetrouwde) kind? Ervan uit gaande dat dit kind niet bij testament anders beschikt heeft erven zijn ouders; broers en zusters.[8] Op die manier komt het vermogen van de overleden ouder alsnog bij de ex-partner terecht.

Beide veelal ongewenste gevolgen zijn te voorkomen door het opnemen van testamentaire bepalingen.

Testament

Zo kan ter voorkoming van de eerste situatie de erflater een testamentair bewind instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen.[9] Hij kan daarbij een bewindvoerder benoemen die het beheer over deze goederen heeft, bijvoorbeeld gedurende de minderjarigheid van de erfgenaam. De moeder ex-echtgenoot wordt dan buitenspel gezet. Risico dat zij het vermogen van de minderjarige gaat verteren is er dan niet.

Tweetrapsmaking

Het overgaan van het door het kind geërfde vermogen op de ex-partner kan worden voorkomen door een zogenaamde tweetrapsmaking. Een tweetrapsmaking is een bijzondere vorm van een voorwaardelijke making.

De testateur kan in zijn testament opnemen dat zijn kinderen alles van hem erven, en dat bij onverhoopt overlijden van één van deze kinderen, het nog niet opgesoupeerde deel van de erfenis  door een ander, bijvoorbeeld een kind of een goed doel, wordt geërfd.

[1] Anders is dit wanneer uit de uiterste wil het tegendeel is af te leiden.

[2] Door ontbinding van het huwelijk was eiseres geen echtgenote meer.

[3] ECLI:NL:RBGRO:2008:BG8065

[4] T&C Erfrecht, art.52 BW Boek 4, aant. 3.

[5] Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.

[6] Handboek Erfrecht (2015), p 129.

[7]ECLI:NL:RBROT:2018:9563

[8] Artikel 4:10 lid 1 sub b BW

[9] Artikel 4:153 lid 1 BW

Wat een treurigheid.

Het is bijna niet voorstelbaar. Op hun huwelijksreis gaat het pas gehuwde echtpaar, eerder hadden zij al een geregistreerd partnerschap, naar de Dominicaanse Republiek. Nadat zij een excursie hebben gemaakt naar het eiland Saona gaan ze ’s avonds nog uiteten. Teruggekeerd in de hotelkamer voelen zij zich niet lekker en bellen de receptie. Beiden worden naar het ziekenhuis vervoerd. Eén van hen overlijdt om 12.12 uur, de ander om 12.35 uur. Oorzaak van overlijden: vergiftiging. Een testament hebben zij niet opgemaakt.

Ons erfrecht kent de zogenaamde commoriëntenregeling. Wanneer de volgorde waarin twee personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap van de andere ten deel. Kort gezegd; de één erft dan niet van de ander. Maar in dit geval waren de tijdstippen van overlijden duidelijk vastgesteld.

Wie van de twee het eerste overlijdt wordt in de uitspraak niet met naam genoemd. Gepubliceerde uitspraken van rechters vermelden geen namen, maar duiden personen vaak aan met letters, in dit geval “X” en “Y”. Maar laten we aannemen dat het hier de man is die 23 minuten eerder overlijdt. In art. BW 4:10 heeft de wetgever de volgorde van erven vastgesteld. En deze brengt met zich mee dat de vrouw alles van de man erft, en haar familie, er zijn geen kinderen, alles van haar. Als een overledene geen testament heeft opgesteld, bepaalt de wet wie erft. Artikel 4:10 lid 1 onder a BW bepaalt dat als de overledene een echtgeno(o)t(e) en/of kinderen heeft, dezen erven van de erflater. Indien de overledene geen kinderen of echtgeno(o)t(e) (meer) heeft, bepaalt artikel 4:10 lid 1 onder b BW dat de ouders en de broers en zussen van de overledene erven. Het volledige gezamenlijke vermogen van € 200.000,00 komt daardoor bij de familie van de vrouw terwijl de familie van de man met lege handen en groot verdriet achterblijft.

Eén van de erfgenamen van de vrouw vraagt aan de rechtbank om voor recht te verklaren dat de vrouw enig erfgenaam is van de man en dat haar erfgenamen vervolgens alles erven van de man en de vrouw gezamenlijk.

Ofschoon er nog enige discussie wordt gevoerd over de exacte tijdstippen komt vast te staan dat de man als eerste is overleden.

De nabestaanden van de man doen een beroep op de commoriëntenregeling van art. 4:2 BW. Zij stellen dat deze regeling ook van toepassing moet zijn wanneer het overlijden van beide het gevolg is van dezelfde oorzaak en dat wanneer beiden in de hotelkamer waren overleden de volgorde nimmer vastgesteld had kunnen worden. De rechtbank volgt hun echter niet. Gelet op de uitdrukkelijke overwegingen bij de totstandkoming van het Benelux- verdrag en gelet op de overwegingen in de wetsgeschiedenis inzake de totstandkoming van Boek 4 ziet de rechtbank geen ruimte om ten aanzien van het overlijden van [X] en [Y] te bepalen dat zij, voor wat betreft de toepassing van artikel 4:2 BW, op hetzelfde tijdstip zijn overleden. 

Een aantal gedaagden doet vervolgens een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Een beroep dat in het erfrecht nog wel eens gehonoreerd wordt. En dat treft doel. De rechtbank overweegt:

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie: Partijen waren slechts twee weken getrouwd. Zij hebben niet in een testament hun wensen inzake hun nalatenschap vastgesteld. Als zij dat wel hadden gedaan hadden zij naar alle waarschijnlijkheid voor deze situatie iets anders bepaald dan de wettelijke regeling. Zij zijn op zeer korte termijn na elkaar aan een zelfde oorzaak overleden. Het onder deze omstandigheden vasthouden aan de wettelijke volgorde zoals opgenomen in artikel 4:10 sub a BW, waarbij het gehele vermogen van [Y] en [X] alleen bij de familie van [Y] terechtkomt, druist in tegen het rechtsgevoel en is, juridisch gezegd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 

Dit oordeel van de rechtbank betekent dat [Y] geen erfgenaam is in de nalatenschap van [X] , maar dat haar ouders tezamen met haar (half)broers en halfzus haar erfgenamen zijn, zoals bepaald onder artikel 4:10 sub b BW. De vordering van [eiseres] onder I., III. en IV. zal dan ook worden afgewezen.

Kortom, de nalatenschap wordt in twee gelijke delen over de beide families verdeeld. Een uitspraak waarbij van de wettelijke regeling wordt afgeweken maar waar menigeen een goed gevoel aan zal overhouden.

Een link naar de uitspraak:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:4

De onterfde echtgenoot

Afgelopen donderdagavond mocht ik een lezing over erfrecht houden voor leden van de FNV. Het werd een geslaagde avond.

Enige onrust ontstond er in de zaal toen één van de aanwezigen de vraag stelde of het ook mogelijk is om je echtgeno(o)t(e) te onterven en ik daar met een volmondig “ja” op kon antwoorden.

Even voor alle duidelijkheid. Heb je geen testament gemaakt, dan geldt in Nederland het wettelijk erfrecht, het versterferfrecht. Als eersten komen dan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen als erfgenaam in beeld. Zij erven ieder voor gelijke delen (art. 4:11 BW). Wettelijk uitgangspunt is dus dat je echtgenoot erfgenaam is. Maar bij testament kun je dat uitsluiten. En in de praktijk gebeurt dat ook wel. De langstlevende komt dan met lege handen te zitten.

IMG_3212

Of, toch niet?

De langstlevende heeft in een dergelijk geval een aantal belangrijke rechten waar hij of zij gebruik van kan maken.

1. Het tijdelijk woonrecht; Gedurende een periode van zes maanden na het overlijden kan de echtgenoot aanspraak maken op de voortgezette bewoning van de door hem bewoonde woning en op het gebruik van de inboedel (art. 4:28 BW). Ook aan degene die met de erflater tot diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, zonder getrouwd te zijn geweest, komt dit recht toe.

2. Het vruchtgebruik van de woning en inboedel; De echtgenoot kan verlangen dat er ten behoeve van hem of haar een vruchtgebruik moet worden gevestigd door de erfgenamen (art. 4:29BW). Mijn ervaring is dat deze regeling ten behoeve van de achterblijvende echtgenoot bij velen niet bekend is. En let op! Je hebt maar zes maanden na het overlijden de tijd om dit recht in te roepen. De langstlevende hoeft niet te bewijzen dat hij dit vruchtgebruik nodig heeft ten behoeve van zijn of haar verzorging. De erfgenamen kunnen wel proberen te bewijzen dat deze behoefte er niet is. Maar dat is in de meeste gevallen geen eenvoudige klus.

3. Vruchtgebruik op andere goederen; De langstlevende kan ook aanspraak maken op een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan de woning en de inboedel. Maar daarvoor moet hij wel stellen en bewijzen dat hij deze nodig heeft voor zijn verzorging. De mogelijkheid om aanspraak te maken op dit verzorgingsvruchtgebruik vervalt na 1 jaar!

Ja, de echtgenoot kan dus worden onterfd, maar de wetgever heeft wel een aantal beschermende voorzieningen ingebouwd.

Wilt u automatisch op de hoogte blijven van nieuwe bijdragen, klik dan rechts van dit artikel op de blauwe “volglink” en wordt volger van erfrecht.online

Aansprakelijk voor schulden na ontruiming kamer verpleeghuis?

Al eerder postte ik op deze site een blogbericht over de risico’s die je als erfgenaam kunt lopen wanneer de nalatenschap negatief dreigt te zijn[1]. Als erfgenaam volg je de erflater van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De erfgenaam wordt van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn teniet gegaan (BW4:182).[2]

Er vindt rechtsopvolging “onder algemene titel” plaats, hetgeen wil zeggen dat alle goederen, schulden en rechtsverhoudingen overgaan op de erfgenaam zonder dat voor het verkrijgen van de afzonderlijke goederen een aparte levering of contract nodig is. Opvolging vindt van rechtswege, dus zonder dat er verder iets nodig is, plaats. Er zijn geen leveringshandelingen nodig.

Opvolgen in bezit en houderschap lijkt vrij duidelijk ofschoon de grenzen tussen bezit en houderschap niet altijd even duidelijk zijn. Maar wat zijn nu die “voor overgang vatbare rechten”?

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen. Niet vermogensrechtelijke betrekkingen gaan in beginsel niet ongewijzigd op erfgenamen over terwijl vermogensrechtelijke betrekkingen in de regel juist wel ongewijzigd op erfgenamen over gaan. Maar natuurlijk is ook hier van uitzonderingen sprake. Zo gaat het niet vermogensrechtelijke recht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap te verzoeken wel degelijk over op de erfgenaam, maar eindigt het vermogensrechtelijke recht van vruchtgebruik toch bij het overlijden van de vruchtgebruiker.[3]

De grootste risico’s loopt een erfgenaam daar waar het de schulden van de erflater betreft. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen niet alleen op goederen van de nalatenschap verhalen, maar ook op het overige vermogen van de erfgenaam die de nalatenschap heeft aanvaard! Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. De keuze kan worden gedaan door het afleggen van een verklaring op de griffie van de rechtbank. De kosten hiervoor bedragen € 127,-.

Maar ook zonder daartoe op de griffie van de rechtbank een uitdrukkelijke verklaring afgelegd te hebben kan de erfgenaam een erfenis aanvaarden, en dus met zijn privévermogen aansprakelijk worden voor de schulden van de nalatenschap. Namelijk als hij ‘zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt”.[4] Maar wanneer is daar sprake van?[5] In zijn beschikking van 26 april 1968 heeft de Hoge Raad overwogen dat het antwoord op de vraag, of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval.[6]

In de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag ging het om een veelvoorkomende actie. Na het overlijden van moeder wordt door één van de drie erfgenamen de kamer in het verzorgingstehuis ontruimd. [7]Daarbij neemt zij een kleine televisie en wat tweedehands spullen mee. De verhouding tussen de erfgenamen is kennelijk niet optimaal. Eén zoon heeft de erfenis beneficiair aanvaard en eist zijn legitieme portie in verband met het eerder overlijden van zijn vader op. De nalatenschap van moeder is negatief, en nu vordert hij samen met een andere zus deze legitieme portie op bij de zus die de kamer heeft ontruimd. Zijn stelling is dat zij door het ontruimen van de kamer en het meenemen van de tv, de erfenis van moeder zuiver heeft aanvaard en daarmee met haar privévermogen aansprakelijk is geworden voor zijn vordering op de nalatenschap van moeder.

Het Hof denkt daar anders over en bevestigt de eerdere uitspraak van de Kantonrechter:

“De kantonrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat [Dochter Twee] wordt geacht de nalatenschap van erflaatster beneficiair te hebben aanvaard. Het enkele gegeven dat [Dochter Twee] een kleine televisie heeft meegenomen uit de kamer van erflaatster en de kamer heeft ontruimd kan in de gegeven omstandigheden niet als daad van zuivere aanvaarding worden gekwalificeerd. Er is geen sprake van beschikkingshandelingen. [Dochter Twee] zag zich geconfronteerd met de situatie dat zij de kamer in het verpleegtehuis op korte termijn moest ontruimen. Daarbij komt dat niet weersproken is dat de goederen van de nalatenschap geen enkele waarde vertegenwoordigden en dat zij de televisie nog steeds onder zich heeft”.

 

Een uitspraak waar de meesten wel vrede mee kunnen hebben. Maar hoe zou het oordeel hebben geluid wanneer de goederen wel enige waarde hadden gehad, of wanneer de dochter de televisie op marktplaats te koop zou hebben aangeboden? In dat geval is toch echt sprake van een beschikkingshandeling. Een mooie uitspraak dus, maar u blijft gewaarschuwd.

[1] Zie blog van 2 mei 2018: ”Een duur etentje”

[2] Dit geldt natuurlijk niet voor de wettelijke verdeling waarbij de langstlevende echtgenoot alles erft en de kinderen een geldvordering op de langstlevende krijgen.

[3] BW3:203 lid 2

[4] BW4:192 lid 2

[5] In de MvA II bij deze bepaling (Parl. Gesch. Vaststellingswet boek 4 BW, p.933-934) is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht.

[6] HR 26 april 1968, NJ1969/322

[7] Hof Den Haag 10 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3413

De ene erfgenaam is de ander niet

Dat het al dan niet beneficiair aanvaarden van een nalatenschap de familiebanden ernstig op scherp kan zetten blijkt maar weer eens uit een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 28 juni 2018.[1]

Als vader in 1994 komt te overlijden laat hij vrouw en 11 kinderen na. Wanneer moeder in het najaar van 2017 komt te overlijden wordt haar nalatenschap door negen kinderen zuiver aanvaard. Twee kinderen aanvaarden beneficiair.

 

OUDERLIJKE BOEDELVERDELING

In zijn testament van 1986 heeft vader een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling opgenomen. Volgens de ouderlijke boedelverdeling, die onder het huidige erfrecht niet in een testament kan worden opgenomen maar in oude testamenten haar gelding behoudt, wordt de nalatenschap zodanig verdeeld, dat de langstlevende alle goederen verkrijgt en de kinderen een niet-opeisbare vordering op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel. In de volksmond spreekt men ook wel van een “langstlevende testament”.

Wanneer moeder in 2017 komt te overlijden maken de schulden aan haar kinderen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling van vader deel uit van haar nalatenschap. De uitspraak van de Rechtbank vermeldt niets over de omvang van de nalatenschap, maar kennelijk zijn de schulden groter dan de activa. Denk er daarbij aan dat de vorderingen van de kinderen zijn als gevolg van verschuldigde rente fors kunnen zijn toegenomen.

 

VERHAAL SCHULDEN

Dat een erfgenaam niet alleen de bezittingen erft maar aansprakelijk wordt voor de schulden van de erflater, mag als algemeen bekend worden verondersteld. Schuldeisers kunnen niet alleen verhaal uitoefenen op het door de erfgenaam geërfde, maar op zijn of haar gehele vermogen![2]

Kennelijk zagen twee van de elf kinderen de bui al hangen. Zij kozen voor de beneficiaire aanvaarding. Daarmee konden schuldeisers dus geen verhaal uitoefenen op hun overige vermogen.[3] Dit leidde er, (ook hier zwijgt de uitspraak over) kennelijk toe dat de twee beneficiaire aanvaard hebbende kinderen hun vordering op de nalatenschap van moeder bij hun negen broers en zusters, die de nalatenschap zuiver aanvaard hadden konden indienen. Zij waren immers schuldeisers van haar nalatenschap en de  negen erfgenamen volgden haar in die schulden op. Het tweetal kon nu zelfs de vorderingen op moeder op het volledige vermogen van de anderen verhalen.

Het zal er binnen deze familie wel erg onrustig aan  zijn toegegaan, want twee van de elf zagen hun vermogen toenemen ten laste van de overige negen. Van een gelijke verdeling over alle erfgenamen was hierdoor zeker geen sprake. Voor de onfortuinlijke broers en zusters was dit onaanvaardbaar. Zij spanden een procedure aan.

WET BESCHERMING ERFGENAMEN TEGEN SCHULDEN

In deze procedure gaan zij voor twee ankers liggen. Allereerst doen zij een beroep op de Wet Bescherming Erfgenamen tegen Schulden. Deze wet is op 1 september 2016 van kracht geworden en heeft onder meer geleid tot het opnemen van artikel 194a in boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.[4] Doel van deze wet is onder meer om erfgenamen te beschermen tegen schulden die zij niet kenden en ook niet behoorden te kennen. Na de ontdekking van zo’n schuld kan de erfgenaam machtiging aan de Kantonrechter vragen om de nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Zij stellen dat moeder de nalatenschap van vader had afgewikkeld en dat zij niet op de hoogte waren van hun vorderingen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling.In de tweede plaats doen zij een beroep op de redelijkheid en billijkheid nu de nalatenschappen van hun ouders feitelijk ongelijk over de kinderen zijn verdeeld terwijl het altijd de wens was van de ouders om alle kinderen juist gelijk te behandelen.

Het mag hen echter niet baten. De Kantonrechter stelt eerst vast hoe de woorden “kenden en behoorden te kennen” moeten worden uitgelegd. Daarvoor grijpt hij terug naar de parlementaire geschiedenis.

De strekking van artikel 4:194a BW is dat dit artikel alleen bescherming biedt voor schulden die de erfgenamen niet kenden en evenmin behoorden te kennen op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardden. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met de woorden ‘kenden en behoorden te kennen” wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in artikel 3:11 BW. Goede trouw ontbreekt als de erfgenamen van het bestaan van de schulden wisten op het moment van aanvaarding van de nalatenschap. Ook als de erfgenamen weliswaar een juiste voorstelling van zaken misten met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden beter behoorden te weten of twijfelden of hadden moeten twijfelen over (de afwezigheid van) schulden en hebben nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kunnen zij als niet te goeder trouw worden aangemerkt (TK 34224, nr. 3 blz. 13).

 

Naar het oordeel van de kantonrechters zijn de erfgenamen niet te goeder trouw geweest. Zij hadden na het overlijden van hun vader maar naar diens testament moeten vragen en uit overgelegde stukken blijkt zelfs dat er tussen de erfgenamen in 1997 al over een niet opeisbare vordering was gecorrespondeerd. Ook het beroep op de redelijkheid en billijkheid ex artikel BW 6:2 wordt verworpen. Want dat de nalatenschap van de ouders als gevolg van het beneficiair aanvaarden door twee van de elf erfgenamen niet gelijk over alle erfgenamen wordt verdeeld betekent namelijk nog niet dat dit onaanvaardbaar is als bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW. De Kantonrechter overweegt nog fijntjes dat het daarbij van belang is dat de ongelijke verdeling het gevolg zal is van het handelen van partijen zelf.

 

HUIDIG RECHT

De ouderlijke boedelverdeling is weliswaar onder het huidig recht niet meer mogelijk. Ons huidig erfrecht kent immers een een gesloten stelsel van wilsbeschikkingen.[5] Maar volgens het overgangsrecht blijven oude wilsbeschikkingen die onder het oude recht geldig waren ook van kracht onder het huidige recht.[6] In de praktijk zullen we nog regelmatig testamenten van voor 2003 tegenkomen.

Maar let op. Onder het huidige recht is de wettelijke verdeling van artikel 13 boek 4 BW in het leven geroepen en daarbij speelt precies hetzelfde. Immers ook daar krijgen de kinderen van rechtswege een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot, overeenkomend met de waarde van hun erfdeel. En ook hier betreft het een vordering die in beginsel pas opeisbaar is bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot.[7]

Sta je voor de keuze om een erfenis al dan niet (beneficiair) te aanvaarden, kijk dan niet alleen naar vorderingen van derden maar ben je bewust van de mogelijke vorderingen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling en wettelijke verdeling.

Leek, januari 2019

Voetnoten:

[1] ECLI:NL:RBGEL:2018:3615

[2] BW 4:182 lid 2; Zij worden van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn teniet gegaan.

[3] BW 4:184 regelt uitdrukkelijk en limitatief wanneer schuldeisers van de nalatenschap zich kunnen verhalen op het overige vermogen van de erfgenaam

[4] Stb. 2016, 226

[5] BW 4:42: een beschikking …….die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.

[6] Art.79 overgangswet

[7] De opeisbaarheidsgronden “overlijden en faillissement” zijn bij uiterste wilsbeschikking uit te breiden.

Een duur foutje

Het voeren van een erfrechtelijke procedure kent vele haken en ogen. Die komen al direct aan het licht bij de vraag wie nu eigenlijk de partijen in een proces moeten zijn. Kun je één van de erfgenamen dagvaarden, moet je ze allemaal meenemen, of moet je de executeur in de procedure betrekken? Kun je als één van de erfgenamen opkomen voor de hele nalatenschap of moet je dan alle erfgenamen meekrijgen. Best lastig, en dan heb ik het nog niet eens over de situatie waarin de persoonlijke staat van een partij verandert of de betrekkingen waarin een partij het geding voert ophoudt ( art 225 Lid 1 Rv).

Dit deed zich voor in een zaak die op 20 november door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd beoordeeld (GHARL:2018:10101). Wat was het geval?

Drie van de zes erfgenamen die in het testament tot executeur waren aangesteld en deze benoeming hadden aanvaard, waren gezamenlijk een procedure begonnen bij de rechtbank Overijssel. Zij deden dit zoals de wet dit voorschrijft in hun hoedanigheid van executeur.  In art. 4: 145 lid 2 BW is namelijk bepaald dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Hij heeft de “privatieve bevoegdheid”. Het arrest vermeldt dit niet, maar waarschijnlijk voerden zij de procedure mede in het belang van de andere erfgenamen.

Tijdens de rechtbankprocedure verklaarde één van de erfgenamen de erfenis beneficiair te aanvaarden. Het gevolg van zo’n beneficiaire aanvaarding is dat de nalatenschap vereffend moet worden, tenzij er sprake is van één in art 4:202 BW genoemde uitzonderingen. Moet de nalatenschap vereffend worden, dan eindigt de taak van de executeur en worden de gezamenlijke erfgenamen vereffenaar van de nalatenschap.

De procedure verliep kennelijk niet naar wens want de drie eisende erfgenamen komen in hoger beroep bij het Hof. En daar gaat het mis. Want de drie erfgenamen zijn geen executeur meer. Zij zijn samen met de andere erfgenamen vereffenaar geworden. Zij konden niet meer met z’n drieën optreden en in hoger beroep komen. Nee, dit hadden zij als gezamenlijke erfgenamen in hun hoedanigheid van vereffenaar moeten doen. Uitermate pijnlijk voor de appelanten, want zij werden door het Hof niet ontvankelijk verklaard zonder dat er verder inhoudelijk naar de procedure gekeken is. Herstel was ook niet meer mogelijk want de hoger beroepstermijn van drie maanden is dan al ruimschoots verstreken. Overigens, betrof het hier een geldvordering van  € 6.487.154,00. Nu maar hopen dat de behandelend advocaat een goede aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten.

Het verwerpen van een nalatenschap namens een minderjarige

Geconfronteerd met een erfenis die louter en alleen uit schulden bestaat zal een erfgenaam al snel denken aan het verwerpen van de erfenis. Logisch, waarom zou je op willen draaien voor de schulden van een ander. Wat dan niet over het hoofd mag worden gezien is dat in veel gevallen de kinderen dan in de plaats komen van de verwerpende ouder. Zij erven dan bij plaatsvervulling. En ook zij draaien dan op voor de schulden van de nalatenschap, tenzij ook zij weer verwerpen.

Voor minderjarige kinderen geldt echter dat zij niet zelf kunnen verwerpen maar dat hun wettelijk vertegenwoordiger dit moet doen. Dit moet volgens de wet binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de minderjarige erfgenaam wordt, dus binnen drie maanden na het verwerpen door zijn ouder. Nu is het verwerpen als zodanig een eenvoudige handeling die met het invullen van een formulier op de griffie van de rechtbank kan worden verricht. Maar wil je namens je minderjarige zoon of dochter de erfenis verwerpen, dan heb je eerst een machtiging nodig van de Kantonrechter (BW4:193). Je moet dan aannemelijk kunnen maken dat het saldo van de boedel negatief is. Daar wil het nog wel eens mis gaan. De verwerkingstijd op de Rechtbank kan langer zijn en soms zijn bijvoorbeeld aanvullende stukken nodig. Weigert de Kantonrechter de machtiging, dan zal een uitspraak in hoger beroep zeker niet binnen die drie maanden volgen.

Het Gerechtshof heeft dit onderkend in zijn uitspraak van 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5920, door te oordelen dat niet de datum waarop de machtiging verstrekt wordt bepalend is voor de driemaandstermijn, maar de datum waarop de machtiging verzocht wordt. Een zeer welkome uitspraak voor de praktijk.

In dit verband is het ook aardig om te wijzen op de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 26 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3632. Daaruit blijkt dat de termijn van drie maanden ook al kan lopen als de minderjarige nog niet geboren is. Immers dan geldt artikel 2, boek 1 BW dat stelt dat het kind waarvan een vrouw zwanger is reeds als geboren wordt aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. In de procedure bij deze Rechtbank werd het verzoek tot machtiging dan ook terecht namens het ongeboren kind gedaan, zij het toch nog te laat.

Wat zijn de consequenties van het niet tijdig verwerpen van een nalatenschap namens een minderjarige?

Nee, het is niet zo dat de minderjarige voor de schulden van de nalatenschap opdraait. Op een aantal plaatsen in het erfrecht wordt de minderjarige beschermd door de wetgever, zo ook in dit geval. Verloopt de termijn van drie maanden dan geldt de nalatenschap als beneficiair aanvaard. Maar dit brengt wel met zich mee dat de nalatenschap zal moeten worden vereffend hetgeen de nodige werkzaamheden en verplichtingen voor de vereffenaars met zich meebrengt. En dat hadden de ouders nu juist voor zichzelf willen voorkomen.