De onterfde echtgenoot

Afgelopen donderdagavond mocht ik een lezing over erfrecht houden voor leden van de FNV. Het werd een geslaagde avond.

Enige onrust ontstond er in de zaal toen één van de aanwezigen de vraag stelde of het ook mogelijk is om je echtgeno(o)t(e) te onterven en ik daar met een volmondig “ja” op kon antwoorden.

Even voor alle duidelijkheid. Heb je geen testament gemaakt, dan geldt in Nederland het wettelijk erfrecht, het versterferfrecht. Als eersten komen dan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen als erfgenaam in beeld. Zij erven ieder voor gelijke delen (art. 4:11 BW). Wettelijk uitgangspunt is dus dat je echtgenoot erfgenaam is. Maar bij testament kun je dat uitsluiten. En in de praktijk gebeurt dat ook wel. De langstlevende komt dan met lege handen te zitten.

IMG_3212

Of, toch niet?

De langstlevende heeft in een dergelijk geval een aantal belangrijke rechten waar hij of zij gebruik van kan maken.

1. Het tijdelijk woonrecht; Gedurende een periode van zes maanden na het overlijden kan de echtgenoot aanspraak maken op de voortgezette bewoning van de door hem bewoonde woning en op het gebruik van de inboedel (art. 4:28 BW). Ook aan degene die met de erflater tot diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, zonder getrouwd te zijn geweest, komt dit recht toe.

2. Het vruchtgebruik van de woning en inboedel; De echtgenoot kan verlangen dat er ten behoeve van hem of haar een vruchtgebruik moet worden gevestigd door de erfgenamen (art. 4:29BW). Mijn ervaring is dat deze regeling ten behoeve van de achterblijvende echtgenoot bij velen niet bekend is. En let op! Je hebt maar zes maanden na het overlijden de tijd om dit recht in te roepen. De langstlevende hoeft niet te bewijzen dat hij dit vruchtgebruik nodig heeft ten behoeve van zijn of haar verzorging. De erfgenamen kunnen wel proberen te bewijzen dat deze behoefte er niet is. Maar dat is in de meeste gevallen geen eenvoudige klus.

3. Vruchtgebruik op andere goederen; De langstlevende kan ook aanspraak maken op een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan de woning en de inboedel. Maar daarvoor moet hij wel stellen en bewijzen dat hij deze nodig heeft voor zijn verzorging. De mogelijkheid om aanspraak te maken op dit verzorgingsvruchtgebruik vervalt na 1 jaar!

Ja, de echtgenoot kan dus worden onterfd, maar de wetgever heeft wel een aantal beschermende voorzieningen ingebouwd.

Wilt u automatisch op de hoogte blijven van nieuwe bijdragen, klik dan rechts van dit artikel op de blauwe “volglink” en wordt volger van erfrecht.online

Vruchtgebruik op andere goederen

In een testament kun je zo’n beetje alles bepalen wat je wilt.[1]Je kunt al je bezittingen nalaten aan een goed doel, je kunt je kinderen onterven. Je kunt legaten maken of lasten opleggen. The sky lijkt soms de limit.

Toch kent een testament ook zo zijn grenzen. Zo heeft iedereen wel gehoord van de legitieme portie. Je kunt een kind wel onterven, maar het heeft recht op zijn legitieme portie. En dat is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris (het kind) in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen (het testament) van de erflater aanspraak kan maken. Een wettelijk recht dat het kind niet kan worden ontnomen. Een wettelijk recht waarop in de praktijk regelmatig een beroep wordt gedaan.

Een wettelijk recht waarop in de praktijk minder vaak een beroep wordt gedaan is het zogenaamde “vruchtgebruik op andere goederen” van artikel 30 boek 4 van het Burgerlijk Wetboek. Onder bepaalde omstandigheden kan de achterblijvende echtgenoot aanspraak maken op goederen uit de nalatenschap ofschoon deze niet zijn nagelaten aan de achter gebleven echtgenoot. De achterblijvende echtgenoot kan niet aanspraak maken op de eigendom van deze goederen maar wel op een ‘verzorgingsvruchtgebruik’. Maar, dan moet de echtgenoot dat nodig hebben. De echtgenoot moet daartoe de behoeftehebben. En daar wordt in de rechtspraak terughoudend mee omgegaan.

Onlangs speelde voor het Gerechtshof  Arnhem-Leeuwarden de volgende casus.[2]Man en vrouw liggen in echtscheiding wanneer de man komt te overlijden. Met het oog op deze naderende echtscheiding heeft hij zijn vrouw onterfd. De vrouw die met lege handen achterblijft doet een beroep op dit verzorgingsvruchtgebruik. Volgens het Hof heeft de vrouw echter geen behoefte aan dit verzorgingsvruchtgebruik.

Het Gerechtshof, oordelend in hoger beroep verwijst naar een eerder arrest van de Hoge Raad en stelt dat het hier slechts een vangnet betreft, een passende voorziening indien en voor zover de verzorging niet is gewaarborgd.[3]“Voor de bepaling van de behoefte van de achterblijver is het gezamenlijke inkomen tijdens het huwelijk niet zonder meer beslissend en kan de echtgenoot geen aanspraak maken op voortzetting van het leefpatroon dat zij voorheen met erflater had”.[4]De echtgenote had in de procedure erkend dat zij goed kan leven van haar huidige inkomen. Zij vreesde weliswaar dat de pensioenpot over drie jaar leeg zou zijn en het nabestaandenpensioen dan niet meer inbaar, maar dit heeft zij in de procedure onvoldoende onderbouwd. (Heeft de advocaat van de vrouw hier iets laten liggen?)

Toch kan in een aantal gevallen een beroep op deze regeling wel degelijk uitkomst bieden. Want lang niet altijd kan de achterblijvende echtgenoot goed rondkomen.

Overweegt de overblijvende echtgenoot aanspraak te maken op een dergelijk verzorgingsvruchtgebruik, dan is het van belang te weten dat de mogelijkheid om aanspraak te maken vervalt binnen een jaar na overlijden van de erflater.[5]Er zal voortvarend gehandeld moeten worden.

[1]Deze opmerking zal menigeen de hare ten berge doen reizen. Want de wet gaat juist uit van een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Echter binnen dit gesloten stelsel is veel mogelijk.

[2]ECLI:NL:GHARL:2018:3431

[3]HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2507

[4]In 2011 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat bij het bepalen van de verzorgingsbehoefte mede acht moet worden geslagen op het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, alsmede de duur van het huwelijk. (Hof Amsterdam 20 december 20011, LJN BV0739

[5]De mogelijkheid om aanspraak te maken op een verzorgingsvruchtgebruik op andere goederen vervalt ook na verloop van een door een belanghebbende gestelde redelijke termijn.