Echtscheiding en de dood

Wanneer ik om mij heen kijk en praat met collega familierecht advocaten dan zie ik dat er rondom echtscheidingen veel geregeld wordt en dat de kwaliteit van de convenanten die opgesteld worden steeds uitgebreider en kwalitatief van een hoger niveau worden. Zo kennen bijvoorbeeld heel veel convenanten inmiddels een aparte fiscale paragraaf, waarin regelingen worden opgenomen over de belastingaangifte, het eindigen van het fiscaal partnerschap en soms zelfs een regeling hoe te handelen voor het geval de belastingdienst in een bepaalde overeenkomst een belaste bevoordeling ziet. Regelingen, die een paar jaar geleden nog nauwelijks werden opgenomen. Een goede ontwikkeling. Het is immers taak van de advocatuur om de belangen van cliënten te behartigen en om problemen te voorkomen.

Enigszins onderbelicht, naar mijn mening, zijn de gevolgen van overlijden ten tijde van en na een echtscheidingsprocedure. Daar wordt in de praktijk nog te weinig bij stil gestaan, terwijl de materiële gevolgen, naast de emotionele gevolgen groot zijn. Wie wijst zijn cliënten op het mogelijk belang van het opstellen van een testament, juist met het oog op de echtscheiding? En wat zijn de gevolgen van een echtscheiding voor de geldigheid van een uiterste wil?

Echtgenoot

In verreweg de meeste testamenten wordt een regeling opgenomen die voorziet in de bescherming van de levenspartner. Niet zelden komen we in een testament de bepaling tegen waarin de erflater zijn echtgeno(o)t(e) tot enig erfgenaam benoemd. Dat de ex-partner nadat de echtscheiding van kracht is geworden geen beroep meer kan doen op deze bepaling leidt tot geen enkele discussie. Er is immers geen sprake meer van een echtgenote.[1]  Maar wat als de echtscheiding inmiddels is aangevraagd, maar nog niet is uitgesproken en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand? Het huwelijk is nog in stand en de ex-partner is nog altijd echtgenoot of echtgenote. Kan hij of zij dan wel een beroep doen op zo’n uiterste wilsbeschikking en er met de nalatenschap vandoor gaan?

Wanneer we de tekst van de wet volgen, dan moet er sprake zijn van een ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Een slechts aanhangige echtscheiding valt daar niet onder. Dat voelt niet goed.

In 2008 speelde zich voor de Rechtbank Groningen een kort geding af waarin een ex-echtgenote afgifte vorderde van de auto van haar overleden ex-partner. De echtscheiding was weliswaar enige tijd voor het overlijden door de Rechtbank uitgesproken, maar niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het huwelijk was dan ook niet ontbonden.

Letterlijke toepassing van artikel 4:52 BW zou leiden tot toewijzing van de vordering van de ex-echtgenote[2]. De realiteit was anders. De ex-partner ging niet met de auto naar huis, maar met een fikse proceskostenveroordeling. De kantonrechter oordeelde namelijk dat er in deze situatie reden was om artikel 52 analoog toe te passen.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat niet gesteld of gebleken is dat de echtscheiding in dit geval opzettelijk achterwege is gebleven; er moet vanuit worden gegaan dat er geen oogmerk heeft bestaan om het huwelijk (alsnog) in stand te laten, maar dat louter door toeval of vergeetachtigheid inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet heeft plaatsgevonden. [eiseres] bedoelde het huwelijk met de heer [X] te doen eindigen, slechts door een buiten haar wil gelegen oorzaak is dat niet gerealiseerd. Daarmee is de nu gegeven situatie zozeer op één lijn te stellen met het door de wet in art. 1:52 BW geregelde geval, dat de voorzieningenrechter uitgaat van analogische toepassing van die bepaling.[3]

Meerdere wegen

Professor mr. T.J. Mellema-Kranenburg verwijst voor slechts aanhangig gemaakte echtscheidingen naar de onjuiste beweegredenen van artikel 4:43 lid 2 BW[4][5]. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis  wordt het voorbeeld genoemd van een uiterste wilsbeschikking ten voordele van een huishoudster gemaakt, die als zodanig in de uiterste wilsbeschikking is aangeduid, indien zij op het moment van overlijden geen huishoudster meer is. Onder het oude erfrecht dat geen vergelijkbare bepaling als die van artikel 52 kende speelde de dwaling in de beweegreden met name een rol bij het gebruik van de woorden ‘mijn echtgenote.[6]

Anders is de benadering van de Rechtbank Rotterdam die aanknoopt bij artikel 46 boek 4 BW. De Rechtbank overweegt als volgt[7]:De door de moeder aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure en haar wens om de echtscheidingsbeschikking in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand vormen tezamen genomen een duidelijke aanwijzing dat de moeder de vader niet langer als haar echtgenoot wenste te zien en dat zij beoogde het huwelijk met de vader te doen eindigen. Slechts door een buiten haar wil gelegen oorzaak is dat niet gerealiseerd. Onweersproken is dat de vader niet wilde meewerken aan de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand en dat de moeder moest wachten tot het verstrijken van de termijn van hoger beroep. Er moet daarom vanuit gegaan worden dat de moeder niet meer het oogmerk had het huwelijk nog in stand te laten, maar dat louter door de omstandigheid dat de vader niet wilde meewerken, inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet heeft plaatsgevonden.

Het feit dat een echtscheiding nog niet voltooid is betekent dan ook niet dat de ex-partner zich zonder meer als erfgenaam kan opstellen. Maar enig risico bestaat wel. Zo zou de ex-partner kunnen stellen dat er aan een verzoening werd gewerkt of dat erflater heel bewust de echtscheiding niet definitief wilde maken. Om deze risico’s uit te sluiten en discussies te voorkomen is het raadzaam een wijziging van testament, ook al is dit voor korte duur, te overwegen.

Maar daar zijn meer redenen voor. De misschien wel belangrijkste reden is gelegen in artikel 245 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is bepaald dat ouders, die het gezag hebben over hun kinderen, het bewind voeren over het vermogen van de kinderen. Ervan uitgaande dat de kinderen de enige erfgenamen zijn van hun overleden gescheiden ouder, betekent dit dat de ex-echtgenoot het bewind krijgt over de erfenis van de overleden ex-partner. En dit kan wel eens zeer ongewenst zijn.

En wat te denken van het onverhoopt overlijden van het (ongetrouwde) kind? Ervan uit gaande dat dit kind niet bij testament anders beschikt heeft erven zijn ouders; broers en zusters.[8] Op die manier komt het vermogen van de overleden ouder alsnog bij de ex-partner terecht.

Beide veelal ongewenste gevolgen zijn te voorkomen door het opnemen van testamentaire bepalingen.

Testament

Zo kan ter voorkoming van de eerste situatie de erflater een testamentair bewind instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen.[9] Hij kan daarbij een bewindvoerder benoemen die het beheer over deze goederen heeft, bijvoorbeeld gedurende de minderjarigheid van de erfgenaam. De moeder ex-echtgenoot wordt dan buitenspel gezet. Risico dat zij het vermogen van de minderjarige gaat verteren is er dan niet.

Tweetrapsmaking

Het overgaan van het door het kind geërfde vermogen op de ex-partner kan worden voorkomen door een zogenaamde tweetrapsmaking. Een tweetrapsmaking is een bijzondere vorm van een voorwaardelijke making.

De testateur kan in zijn testament opnemen dat zijn kinderen alles van hem erven, en dat bij onverhoopt overlijden van één van deze kinderen, het nog niet opgesoupeerde deel van de erfenis  door een ander, bijvoorbeeld een kind of een goed doel, wordt geërfd.

[1] Anders is dit wanneer uit de uiterste wil het tegendeel is af te leiden.

[2] Door ontbinding van het huwelijk was eiseres geen echtgenote meer.

[3] ECLI:NL:RBGRO:2008:BG8065

[4] T&C Erfrecht, art.52 BW Boek 4, aant. 3.

[5] Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.

[6] Handboek Erfrecht (2015), p 129.

[7]ECLI:NL:RBROT:2018:9563

[8] Artikel 4:10 lid 1 sub b BW

[9] Artikel 4:153 lid 1 BW

Aansprakelijk voor schulden na ontruiming kamer verpleeghuis?

Al eerder postte ik op deze site een blogbericht over de risico’s die je als erfgenaam kunt lopen wanneer de nalatenschap negatief dreigt te zijn[1]. Als erfgenaam volg je de erflater van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap. De erfgenaam wordt van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn teniet gegaan (BW4:182).[2]

Er vindt rechtsopvolging “onder algemene titel” plaats, hetgeen wil zeggen dat alle goederen, schulden en rechtsverhoudingen overgaan op de erfgenaam zonder dat voor het verkrijgen van de afzonderlijke goederen een aparte levering of contract nodig is. Opvolging vindt van rechtswege, dus zonder dat er verder iets nodig is, plaats. Er zijn geen leveringshandelingen nodig.

Opvolgen in bezit en houderschap lijkt vrij duidelijk ofschoon de grenzen tussen bezit en houderschap niet altijd even duidelijk zijn. Maar wat zijn nu die “voor overgang vatbare rechten”?

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen. Niet vermogensrechtelijke betrekkingen gaan in beginsel niet ongewijzigd op erfgenamen over terwijl vermogensrechtelijke betrekkingen in de regel juist wel ongewijzigd op erfgenamen over gaan. Maar natuurlijk is ook hier van uitzonderingen sprake. Zo gaat het niet vermogensrechtelijke recht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap te verzoeken wel degelijk over op de erfgenaam, maar eindigt het vermogensrechtelijke recht van vruchtgebruik toch bij het overlijden van de vruchtgebruiker.[3]

De grootste risico’s loopt een erfgenaam daar waar het de schulden van de erflater betreft. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen niet alleen op goederen van de nalatenschap verhalen, maar ook op het overige vermogen van de erfgenaam die de nalatenschap heeft aanvaard! Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. De keuze kan worden gedaan door het afleggen van een verklaring op de griffie van de rechtbank. De kosten hiervoor bedragen € 127,-.

Maar ook zonder daartoe op de griffie van de rechtbank een uitdrukkelijke verklaring afgelegd te hebben kan de erfgenaam een erfenis aanvaarden, en dus met zijn privévermogen aansprakelijk worden voor de schulden van de nalatenschap. Namelijk als hij ‘zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt”.[4] Maar wanneer is daar sprake van?[5] In zijn beschikking van 26 april 1968 heeft de Hoge Raad overwogen dat het antwoord op de vraag, of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval.[6]

In de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag ging het om een veelvoorkomende actie. Na het overlijden van moeder wordt door één van de drie erfgenamen de kamer in het verzorgingstehuis ontruimd. [7]Daarbij neemt zij een kleine televisie en wat tweedehands spullen mee. De verhouding tussen de erfgenamen is kennelijk niet optimaal. Eén zoon heeft de erfenis beneficiair aanvaard en eist zijn legitieme portie in verband met het eerder overlijden van zijn vader op. De nalatenschap van moeder is negatief, en nu vordert hij samen met een andere zus deze legitieme portie op bij de zus die de kamer heeft ontruimd. Zijn stelling is dat zij door het ontruimen van de kamer en het meenemen van de tv, de erfenis van moeder zuiver heeft aanvaard en daarmee met haar privévermogen aansprakelijk is geworden voor zijn vordering op de nalatenschap van moeder.

Het Hof denkt daar anders over en bevestigt de eerdere uitspraak van de Kantonrechter:

“De kantonrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat [Dochter Twee] wordt geacht de nalatenschap van erflaatster beneficiair te hebben aanvaard. Het enkele gegeven dat [Dochter Twee] een kleine televisie heeft meegenomen uit de kamer van erflaatster en de kamer heeft ontruimd kan in de gegeven omstandigheden niet als daad van zuivere aanvaarding worden gekwalificeerd. Er is geen sprake van beschikkingshandelingen. [Dochter Twee] zag zich geconfronteerd met de situatie dat zij de kamer in het verpleegtehuis op korte termijn moest ontruimen. Daarbij komt dat niet weersproken is dat de goederen van de nalatenschap geen enkele waarde vertegenwoordigden en dat zij de televisie nog steeds onder zich heeft”.

 

Een uitspraak waar de meesten wel vrede mee kunnen hebben. Maar hoe zou het oordeel hebben geluid wanneer de goederen wel enige waarde hadden gehad, of wanneer de dochter de televisie op marktplaats te koop zou hebben aangeboden? In dat geval is toch echt sprake van een beschikkingshandeling. Een mooie uitspraak dus, maar u blijft gewaarschuwd.

[1] Zie blog van 2 mei 2018: ”Een duur etentje”

[2] Dit geldt natuurlijk niet voor de wettelijke verdeling waarbij de langstlevende echtgenoot alles erft en de kinderen een geldvordering op de langstlevende krijgen.

[3] BW3:203 lid 2

[4] BW4:192 lid 2

[5] In de MvA II bij deze bepaling (Parl. Gesch. Vaststellingswet boek 4 BW, p.933-934) is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht.

[6] HR 26 april 1968, NJ1969/322

[7] Hof Den Haag 10 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3413

De legitieme

De legitieme, wat is dat ook alweer?

 Bij testament kun je heel veel regelen. Je kunt legaten maken, erfgenamen aanwijzen maar ook erfgenamen onterven. In de wet is echter vastgelegd, dat kinderen altijd recht hebben op een bepaald deel van de nalatenschap van hun ouders. Zelfs al zijn ze door de erflater volledig onterfd. Onder het oude recht sprak men van “het wettelijk erfdeel” in het huidig Burgerlijk Wetboek wordt dit “de legitieme portie” genoemd.

De legitieme portie, ook wel kort aangeduid als de legitieme is niet alleen van belang bij onterving, maar ook wanneer het kind minder krijgt dan waar hij volgens de wet recht op heeft. De legitieme portie is het gedeelte van het vermogen, waarop de erfgenaam in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken.De erflater kan er dus niet voor zorgen dat zijn kind niets krijgt door het weggeven van zijn vermogen of door het benoemen van een andere erfgenaam die alles krijgt.

Het berekenen van de legitieme portie is niet eenvoudig en leidt maar al te vaak tot gerechtelijke procedures. Eerst moet namelijk de legitimaire massa worden berekend. Dat is de waarde van de goederen van de erflater, vermeerderd met bepaalde giften en verminderd met bepaalde schulden. Het voert in het kader van deze blog te ver om precies aan te geven wat die bepaalde giften en die bepaalde schulden zijn. Maar giften die binnen 5 jaar na het overlijden hebben plaatsgevonden vallen hieronder. En dat kan er toe leiden dat zo’n gift geheel of gedeeltelijk moet worden teruggehaald om er voor te zorgen dat het betreffende kind alsnog zijn legitieme portie ontvangt. Dit wordt “inkorting” genoemd.

Illustratief is een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:8588) Het volgende was het geval. Erflater, was hertrouwd maar dit huwelijk bleek niet oneindig. Man en vrouw gingen uit elkaar. Zij waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Hierdoor vielen de aandelen in de fotozaken van erflater in de gemeenschap en moesten verdeeld worden. De getaxeerde waarde lag zo rond de 7 miljoen euro, helft voor de man en helft voor de vrouw. Bij de afwikkeling van de gemeenschap, of kort daarna, draagt erflater zijn aandelen over aan zijn ex tegen een koopsom van 1 miljoen euro. Twee dagen later overlijdt erflater.

De kinderen uit het eerste huwelijk, en erfgenamen, zien dat de tweede echtgenoot er met de buit vandoor gaat. Als nalatenschap blijft een kleine 4 ton over. Dit pikken zij niet, en met succes. Zij stellen dat de koopovereenkomst tussen erflater en echtgenoot nummer 2 een gift is en zij vorderen dat deze gift gedeeltelijk wordt ingekort.

De Rechter komt tot het oordeel dat er inderdaad sprake is geweest van een gift omdat er sprake is van een handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. En, de schenker moet de bevoordeling hebben gewild. Nu de aandelen in het kader van de echtscheiding waren gewaardeerd op 7 miljoen stond dit wel vast. De rechtbank stelt de omvang van de gift vast op 3,5 miljoen te verminderen met het door de tweede echtgenote betaalde miljoen.

Tot een volledige einduitspraak komt het niet, omdat er eerst nog duidelijkheid van de Belastingdienst moet komen over de vraag of dit oordeel van de rechter zal leiden tot aanpassing van een eerder opgelegde aanslag. Want zoals hierboven reeds is gemeld, zijn bepaalde schulden ook van invloed op de omvang van de legitimaire massa en dus ook op de omvang van de legitieme portie. Maar dat er bij de tweede echtgenoot ten behoeve van de kinderen zal worden ingekort leidt geen enkele twijfel.

Vergeten pensioenen

(een uitstapje naar pensioenrechten bij scheiding)

Nog niet zo heel lang geleden verschenen er berichten in de krant dat er bij een echtscheiding onvoldoende aandacht wordt besteed aan de door de (ex-)partners opgebouwde pensioenrechten. Dit zal u niet overkomen, wanneer u bijstand hebt van een advocaat, aangesloten bij de Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsbemiddelaars. Maar dit daargelaten.

Vanaf 1 mei 1995 geldt in Nederland de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding. In deze wet is bepaald, dat u en uw ex-echtgenoot bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed allebei recht hebben op een deel van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. De wet noemt vervolgens een aantal keuzemogelijkheden.

Toen deze wet nog niet gold dus voor 1 mei 1995, werden pensioenrechten verdeeld op basis van uitspraken van de Hoge Raad.

Nu komt het voor dat er in het verleden vergeten is om afspraken te maken over de verdeling/verevening van de ouderdomspensioenrechten en wat dan?  Vrij recent mocht het Gerechtshof Den Haag (6 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:716) zich over een kwestie buigen waarbij de man en de vrouw in 1970 in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd welk huwelijk in 1982 door echtscheiding werd ontbonden. Er was een echtscheidingsconvenant opgemaakt, maar daarin was niets opgenomen over de door de man opgebouwde pensioenrechten. De man gaat met pensioen in 2004 en in dat jaar schrijft mevrouw hem twee brieven waarin zij aangeeft aanspraak te willen maken op een deel van dit pensioen. De man reageert niet. 12 jaar later ontvangt de man een dagvaarding. De vrouw vordert alsnog verrekening/verdeling van het ouderdomspensioen. In deze procedure mocht het Gerechtshof een aantal beslissingen nemen. De man voert namelijk het verweer dat de vordering van de vrouw zou zijn verjaard. Daarnaast stelt hij dat er sprake is van rechtsverwerking.

Het beroep van de man op verjaring is niet gek. Want in artikel 3:306 BW is bepaald dat een rechtsvordering door verloop van 20 jaren verjaard, indien de wet niet anders bepaald. De echtscheiding is in 1982 ontbonden en de termijn van 20 jaar is al lang en breed verstreken.  Het Gerechtshof verwerpt het beroep op de verjaring en wijst er op dat in gevolge artikel 3:178 BW een deelgenoot te allen tijde een verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen en de woordjes te allen tijde, brengen met zich mee dat een vordering tot verdeling kan nimmer verjaren.

Vervolgens moest het Gerechtshof zich buigen over de vraag of het beroep van de man op rechtsverwerkingen gaat. Op zich ook geen raar standpunt van de man. Immers, in 1982 wordt de echtscheiding ontbonden, in 2004 gaat hij met pensioen. De vrouw weet dit en schrijft hem twee brieven over verrekening van het pensioen en pas 12 jaar later komt zij daadwerkelijk in actie door middel van het starten van een procedure. In de praktijk gaat een beroep op rechtsverwerking niet snel op. Want vaste jurisprudentie is dat louter en alleen stilzitten geen grond van rechtsverwerking oplevert. Daar is meer voor nodig. Er moet sprake zijn bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) te gelde zou maken, of als gevolg waarvan de positie van de man onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken. In dit geval was er feitelijk alleen maar sprake van stilzitten van de vrouw. Maar het Gerechtshof komt de man enigszins tegemoet. De Haagse raadsheren vinden dat de man onredelijk zou worden benadeeld indien hij de reeds ontvangen pensioentermijnen, vanaf 2004, de pensioendatum, nog zou moeten verrekenen met de vrouw nu de vrouw 12 jaar heeft gewacht met het ondernemen van stappen. Het Gerechtshof oordeelt dat van rechtsverwerking geen sprake is. De man zal zijn pensioen moeten verdelen, maar dit geldt niet voor de reeds door hem ontvangen termijnen.