Een duur foutje

Het voeren van een erfrechtelijke procedure kent vele haken en ogen. Die komen al direct aan het licht bij de vraag wie nu eigenlijk de partijen in een proces moeten zijn. Kun je één van de erfgenamen dagvaarden, moet je ze allemaal meenemen, of moet je de executeur in de procedure betrekken? Kun je als één van de erfgenamen opkomen voor de hele nalatenschap of moet je dan alle erfgenamen meekrijgen. Best lastig, en dan heb ik het nog niet eens over de situatie waarin de persoonlijke staat van een partij verandert of de betrekkingen waarin een partij het geding voert ophoudt ( art 225 Lid 1 Rv).

Dit deed zich voor in een zaak die op 20 november door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd beoordeeld (GHARL:2018:10101). Wat was het geval?

Drie van de zes erfgenamen die in het testament tot executeur waren aangesteld en deze benoeming hadden aanvaard, waren gezamenlijk een procedure begonnen bij de rechtbank Overijssel. Zij deden dit zoals de wet dit voorschrijft in hun hoedanigheid van executeur.  In art. 4: 145 lid 2 BW is namelijk bepaald dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Hij heeft de “privatieve bevoegdheid”. Het arrest vermeldt dit niet, maar waarschijnlijk voerden zij de procedure mede in het belang van de andere erfgenamen.

Tijdens de rechtbankprocedure verklaarde één van de erfgenamen de erfenis beneficiair te aanvaarden. Het gevolg van zo’n beneficiaire aanvaarding is dat de nalatenschap vereffend moet worden, tenzij er sprake is van één in art 4:202 BW genoemde uitzonderingen. Moet de nalatenschap vereffend worden, dan eindigt de taak van de executeur en worden de gezamenlijke erfgenamen vereffenaar van de nalatenschap.

De procedure verliep kennelijk niet naar wens want de drie eisende erfgenamen komen in hoger beroep bij het Hof. En daar gaat het mis. Want de drie erfgenamen zijn geen executeur meer. Zij zijn samen met de andere erfgenamen vereffenaar geworden. Zij konden niet meer met z’n drieën optreden en in hoger beroep komen. Nee, dit hadden zij als gezamenlijke erfgenamen in hun hoedanigheid van vereffenaar moeten doen. Uitermate pijnlijk voor de appelanten, want zij werden door het Hof niet ontvankelijk verklaard zonder dat er verder inhoudelijk naar de procedure gekeken is. Herstel was ook niet meer mogelijk want de hoger beroepstermijn van drie maanden is dan al ruimschoots verstreken. Overigens, betrof het hier een geldvordering van  € 6.487.154,00. Nu maar hopen dat de behandelend advocaat een goede aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten.

Het verwerpen van een nalatenschap namens een minderjarige

Geconfronteerd met een erfenis die louter en alleen uit schulden bestaat zal een erfgenaam al snel denken aan het verwerpen van de erfenis. Logisch, waarom zou je op willen draaien voor de schulden van een ander. Wat dan niet over het hoofd mag worden gezien is dat in veel gevallen de kinderen dan in de plaats komen van de verwerpende ouder. Zij erven dan bij plaatsvervulling. En ook zij draaien dan op voor de schulden van de nalatenschap, tenzij ook zij weer verwerpen.

Voor minderjarige kinderen geldt echter dat zij niet zelf kunnen verwerpen maar dat hun wettelijk vertegenwoordiger dit moet doen. Dit moet volgens de wet binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de minderjarige erfgenaam wordt, dus binnen drie maanden na het verwerpen door zijn ouder. Nu is het verwerpen als zodanig een eenvoudige handeling die met het invullen van een formulier op de griffie van de rechtbank kan worden verricht. Maar wil je namens je minderjarige zoon of dochter de erfenis verwerpen, dan heb je eerst een machtiging nodig van de Kantonrechter (BW4:193). Je moet dan aannemelijk kunnen maken dat het saldo van de boedel negatief is. Daar wil het nog wel eens mis gaan. De verwerkingstijd op de Rechtbank kan langer zijn en soms zijn bijvoorbeeld aanvullende stukken nodig. Weigert de Kantonrechter de machtiging, dan zal een uitspraak in hoger beroep zeker niet binnen die drie maanden volgen.

Het Gerechtshof heeft dit onderkend in zijn uitspraak van 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5920, door te oordelen dat niet de datum waarop de machtiging verstrekt wordt bepalend is voor de driemaandstermijn, maar de datum waarop de machtiging verzocht wordt. Een zeer welkome uitspraak voor de praktijk.

In dit verband is het ook aardig om te wijzen op de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 26 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3632. Daaruit blijkt dat de termijn van drie maanden ook al kan lopen als de minderjarige nog niet geboren is. Immers dan geldt artikel 2, boek 1 BW dat stelt dat het kind waarvan een vrouw zwanger is reeds als geboren wordt aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. In de procedure bij deze Rechtbank werd het verzoek tot machtiging dan ook terecht namens het ongeboren kind gedaan, zij het toch nog te laat.

Wat zijn de consequenties van het niet tijdig verwerpen van een nalatenschap namens een minderjarige?

Nee, het is niet zo dat de minderjarige voor de schulden van de nalatenschap opdraait. Op een aantal plaatsen in het erfrecht wordt de minderjarige beschermd door de wetgever, zo ook in dit geval. Verloopt de termijn van drie maanden dan geldt de nalatenschap als beneficiair aanvaard. Maar dit brengt wel met zich mee dat de nalatenschap zal moeten worden vereffend hetgeen de nodige werkzaamheden en verplichtingen voor de vereffenaars met zich meebrengt. En dat hadden de ouders nu juist voor zichzelf willen voorkomen.

De niet betaalde rekening bij overlijden

Met het overlijden van de erflater gaan zijn schulden in beginsel niet teniet. Maar wat gebeurt er wel mee? En hoe kun je als schuldeiser toch nog betaling van je vordering krijgen? In het onderstaande geef ik een beknopte schets van de positie van de schuldeiser.[1]

 

Schuld van de nalatenschap.

In artikel 7 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geeft de wetgever een opsomming van schulden die worden aangemerkt als schulden van de nalatenschap. Dat zijn bijvoorbeeld de schulden van de erflater die niet met zijn dood teniet zijn gegaan, zoals bijvoorbeeld een nog niet betaalde rekening of afgeloste lening, maar ook begrafeniskosten, legaten die uitgekeerd moeten worden en bepaalde aanspraken die krachtens het erfrecht kunnen ontstaan.[2]

Verhaal

Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen. Daarnaast is in de wet uitdrukkelijk bepaald dat de erfgenamen van rechtswege schuldenaar worden van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan.[3] De schulden gaan dus over op de erfgenamen! Als schuldeiser van de erflater heb je dus twee mogelijkheden. Je kunt je vordering verhalen op de nalatenschap en je kunt de schuld verhalen op het eigen vermogen van de erfgenaam. Dit laatste overigens alleen maar wanneer de erfgenaam de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, of bepaalde handelingen heeft verricht of nagelaten ten nadele van de boedel.

Om als erfgenaam te voorkomen dat je met je privévermogen aansprakelijk wordt, is het uitermate raadzaam om de erfenis beneficiair te aanvaarden. In de praktijk komt dit dan ook steeds vaker voor. Voor de schuldeiser resteert dan alleen nog de eerste mogelijkheid. Het verhaal op de nalatenschap.

Om erachter te komen of er sprake is van een beneficiaire aanvaarding kun je navraag doen bij het boedelregister, dat wordt aangehouden bij de rechtbanken. In dat register wordt vermeld of er sprake is van een testament en of er beneficiair is aanvaard. Ook andere van belang zijnde informatie wordt hierin vermeld, zoals een eventueel benoemde boedelnotaris en executeur.

Aanspreekpunt

Blijkt uit het boedelregister en uit eventueel nader ingewonnen informatie bij de boedelnotaris dat er sprake is van een executeur, dan moet de schuldeiser zijn vordering bij deze executeur neerleggen. De executeur is expliciet aangewezen om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte [4].

Is er geen executeur, dan zal de schuldeiser zich tot alle erfgenamen moeten wenden.

Niet de enige

Niet zelden komt de schuldeiser tot de conclusie dat hij niet de enige is die wat te vorderen heeft. Er zijn bijvoorbeeld meer schuldeisers zoals belastingschulden. Ook kan sprake zijn van legaten of giften die door de erflater zijn gedaan maar nog niet zijn uitgevoerd. Hoe moet dan worden verdeeld? Wie krijgt wat? Ook daar is aan gedacht. De wetgever heeft een volgorde van schulden opgenomen mede met als doel de schuldeiserspositie te beschermen.[5]

Vereffening

Wordt een nalatenschap niet beneficiair aanvaard en niet verworpen, dan hebben de schuldeiseres een comfortabele positie. Ze kunnen immers zowel bij de nalatenschap als bij de erfgenamen in privé terecht. Is de nalatenschap wel beneficiair aanvaard, dan dient deze vereffend te worden.[6] De vereffening is vergelijkbaar met de afwikkeling van een faillissement. De vereffenaar dient de schuldeisers op te roepen om hun vordering in te dienen. Hij moet de activa te gelde maken en de schulden overeenkomstig hun voorrangspositie betalen. Pas nadat de vereffening heeft plaatsgevonden mogen de erfgenamen tot verdeling van de (restant) nalatenschap over gaan. De schulden gaan voor.

Is er geen sprake van een vereffening dan lijkt de positie van de schuldeiser minder goed gewaarborgd.[7] Want wat als de erfgenamen in onderling overleg besluiten om de nalatenschap te verdelen voordat de schulden zijn betaald?

 

Is er sprake van dat de erfgenamen tot verdeling over gaan voordat de opeisbare schulden zijn voldaan of bestaat het gevaar dat de schuldeiser niet volledig of niet binnen redelijke termijn zijn vordering voldaan krijgt, dan kan hij alsnog aan de rechtbank verzoeken om een vereffenaar te benoemen.[8]

 

Leek, 20 juli 2018

Mr. Jan-Willem van Horssen[9]

[1] Voor de leesbaarheid is uitdrukkelijk gekozen voor een beknopt artikel op hoofdlijnen. Bedacht moet worden dat de wet in veel gevallen uitzonderingsbepalingen kent.

[2] Zo kent de wet in afdeling 2 van titel 3, boek 4 BW een aantal wettelijke rechten op grond waarvan bepaalde erfgenamen een vordering op de nalatenschap kunnen claimen.

[3] BW 4:1822

[4] BW 4: 1441 en BW 4: 1452

[5] Zo is bijvoorbeeld bepaald dat “gewone” schuldeisers voorrang genieten boven bijvoorbeeld legaten.

[6] De wet kent daarop een drietal uitzonderingen, waarbij de boedel voldoende verhaal biedt

[7] Zo behoeft er bij een beneficiaire aanvaarding niet vereffend te worden wanneer er een executeur is benoemd die de bevoegdheid heeft om schulden van de nalatenschap te voldoen en de omvang van de nalatenschap “ruimschoots toereikend” is om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.

[8] Dit verzoek kan de schuldeiser ook doen, wanneer zijn belangen door een gedraging van de erfgenamen  of van de executeur ernstig worden geschaad.

[9] J-W.F. van Horssen is als gespecialiseerd erfrecht- en familierechtadvocaat en MFN-registermediator werkzaam bij van Horssen & van Ophoven advocaten en mediators te Leek en Delfzijl.