Vruchtgebruik op andere goederen

In een testament kun je zo’n beetje alles bepalen wat je wilt.[1]Je kunt al je bezittingen nalaten aan een goed doel, je kunt je kinderen onterven. Je kunt legaten maken of lasten opleggen. The sky lijkt soms de limit.

Toch kent een testament ook zo zijn grenzen. Zo heeft iedereen wel gehoord van de legitieme portie. Je kunt een kind wel onterven, maar het heeft recht op zijn legitieme portie. En dat is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris (het kind) in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen (het testament) van de erflater aanspraak kan maken. Een wettelijk recht dat het kind niet kan worden ontnomen. Een wettelijk recht waarop in de praktijk regelmatig een beroep wordt gedaan.

Een wettelijk recht waarop in de praktijk minder vaak een beroep wordt gedaan is het zogenaamde “vruchtgebruik op andere goederen” van artikel 30 boek 4 van het Burgerlijk Wetboek. Onder bepaalde omstandigheden kan de achterblijvende echtgenoot aanspraak maken op goederen uit de nalatenschap ofschoon deze niet zijn nagelaten aan de achter gebleven echtgenoot. De achterblijvende echtgenoot kan niet aanspraak maken op de eigendom van deze goederen maar wel op een ‘verzorgingsvruchtgebruik’. Maar, dan moet de echtgenoot dat nodig hebben. De echtgenoot moet daartoe de behoeftehebben. En daar wordt in de rechtspraak terughoudend mee omgegaan.

Onlangs speelde voor het Gerechtshof  Arnhem-Leeuwarden de volgende casus.[2]Man en vrouw liggen in echtscheiding wanneer de man komt te overlijden. Met het oog op deze naderende echtscheiding heeft hij zijn vrouw onterfd. De vrouw die met lege handen achterblijft doet een beroep op dit verzorgingsvruchtgebruik. Volgens het Hof heeft de vrouw echter geen behoefte aan dit verzorgingsvruchtgebruik.

Het Gerechtshof, oordelend in hoger beroep verwijst naar een eerder arrest van de Hoge Raad en stelt dat het hier slechts een vangnet betreft, een passende voorziening indien en voor zover de verzorging niet is gewaarborgd.[3]“Voor de bepaling van de behoefte van de achterblijver is het gezamenlijke inkomen tijdens het huwelijk niet zonder meer beslissend en kan de echtgenoot geen aanspraak maken op voortzetting van het leefpatroon dat zij voorheen met erflater had”.[4]De echtgenote had in de procedure erkend dat zij goed kan leven van haar huidige inkomen. Zij vreesde weliswaar dat de pensioenpot over drie jaar leeg zou zijn en het nabestaandenpensioen dan niet meer inbaar, maar dit heeft zij in de procedure onvoldoende onderbouwd. (Heeft de advocaat van de vrouw hier iets laten liggen?)

Toch kan in een aantal gevallen een beroep op deze regeling wel degelijk uitkomst bieden. Want lang niet altijd kan de achterblijvende echtgenoot goed rondkomen.

Overweegt de overblijvende echtgenoot aanspraak te maken op een dergelijk verzorgingsvruchtgebruik, dan is het van belang te weten dat de mogelijkheid om aanspraak te maken vervalt binnen een jaar na overlijden van de erflater.[5]Er zal voortvarend gehandeld moeten worden.

[1]Deze opmerking zal menigeen de hare ten berge doen reizen. Want de wet gaat juist uit van een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Echter binnen dit gesloten stelsel is veel mogelijk.

[2]ECLI:NL:GHARL:2018:3431

[3]HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2507

[4]In 2011 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat bij het bepalen van de verzorgingsbehoefte mede acht moet worden geslagen op het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, alsmede de duur van het huwelijk. (Hof Amsterdam 20 december 20011, LJN BV0739

[5]De mogelijkheid om aanspraak te maken op een verzorgingsvruchtgebruik op andere goederen vervalt ook na verloop van een door een belanghebbende gestelde redelijke termijn.

Wet Bescherming Erfgenamen tegen Schulden

De erfgenaam, die een erfenis heeft aanvaard, is aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap. Is de nalatenschap onvoldoende om de schulden te betalen, dan moet hij de schulden uit zijn privévermogen betalen.[1] Dit is te voorkomen door de erfenis beneficiair te aanvaarden. In dat geval is de erfgenaam niet gehouden om de schuld ten laste van zijn privévermogen te voldoen. Het komt niet zelden voor dat schulden pas na verloop van tijd aan het licht komen. Is de erfgenaam dan ook aansprakelijk met zijn privévermogen?

De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2018 is een mooi praktijkvoorbeeld omdat daar meerdere aspecten van het erfrecht die hier mee te maken hebben uitgelicht worden.[2]

In dit geval werden de erfgenamen ontheven van hun verplichting om de nalatenschapsschulden ten laste van hun eigen vermogen te voldoen ofschoon zij de erfenis wel zuiver hadden aanvaard.

 

Allereerst wordt stil gestaan bij de vraag of de erfgenamen de erfenis wel aanvaard hadden. Zij hadden geen schriftelijke verklaring hierover afgelegd en de nalatenschap ook niet verworpen. Maar omdat zij na het overlijden betalingsregelingen hadden getroffen voor de kosten van de uitvaart, post hadden meegenomen en de vervuilde en verwaarloosde woning hadden ontruimd hebben zij zich gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen, resulterend in zuivere aanvaarding. Een grote waarschuwing dus. Ook wanneer je niet uitdrukkelijk verklaart een erfenis aanvaard te hebben, kan hier toch sprake van zijn indien je je gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard.

 

Gelet op de hierboven omschreven toestand van de woning zal het geen verrassing zijn dat er van een positieve boedel geen sprake was.

Twee jaar na het overlijden van de erflater worden de erfgenamen geconfronteerd met een vonnis uit 2013, waarbij de overledene veroordeeld is om een kleine €20.000,= te betalen. De schuldeiser stelt zich op het standpunt dat de erfgenamen dit nu maar uit hun eigen zak moeten voldoen. En gelijk heeft hij, want dat is het gevolg van het aanvaarden van de erfenis. Gelukkig voor de erfgenamen is hun advocaat op de hoogte van de wetswijziging per 1 september 2016.[3] Volgens deze wet kan aan de kantonrechter verzocht worden om ontheffing van de verplichting een schuld uit eigen vermogen te voldoen. Ook kan op grond van deze wet de kantonrechter verzocht worden om een nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden.

 

Een beroep hierop moet binnen drie maanden na ontdekking van de schuld worden voldaan. Zo niet, dan ben je te laat. Het enkele feit dat de schuldeiser telefonisch in 2016 aan één van de erfgenamen gemeld had dat er sprake was van een openstaande schuld maakte volgens de kantonrechter nog niet dat de erfgenamen met de schuld bekend verondersteld werden geacht. Nee, daarvoor was het nodig dat de schuldeiser het vonnis aan de erfgenamen toestuurde. En omdat dit pas gebeurde in 2017 waren de erfgenamen nog op tijd met hun verzoek.

 

Vervolgens moest de kantonrechter oordelen of er sprake was van een onverwachte schuld.[4] Daar was volgens de rechter sprake van. Uit de aan de rechtbank overgelegde stukken bleek namelijk dat de erfgenamen onderzoek hadden gedaan naar het bestaan van schulden en dat zij al jaren geen contact meer hadden met de erflater. Dit maakte dat de kantonrechter tot het oordeel kwam dat de erfgenamen de schuld niet behoorden te kennen.

 

Uit artikel 4:194a lid 2 slotzin BW volgt dat de kantonrechter de verzochte ontheffing niet verleent, als een erfgenaam zich zodanig heeft gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de erfgenaam de schuld uit zijn overige vermogen voldoet. Maar daar was geen sprake van. De erfgenamen kwamen dus met de schrik vrij.

[1] In BW 4:1822 is bepaald dat de schulden van rechtswege overgaan.

[2] ECLI:NL:RBMNE:2018:2815

[3] Wet bescherming erfgenamen tegen schulden, Stb. 2016, 226

[4] Niet alleen van belang is dat de erfgenaam de schuld niet kende, ook moet vast staan dat hij de schuld niet behoorde te kennen.

De niet betaalde rekening bij overlijden

Met het overlijden van de erflater gaan zijn schulden in beginsel niet teniet. Maar wat gebeurt er wel mee? En hoe kun je als schuldeiser toch nog betaling van je vordering krijgen? In het onderstaande geef ik een beknopte schets van de positie van de schuldeiser.[1]

 

Schuld van de nalatenschap.

In artikel 7 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geeft de wetgever een opsomming van schulden die worden aangemerkt als schulden van de nalatenschap. Dat zijn bijvoorbeeld de schulden van de erflater die niet met zijn dood teniet zijn gegaan, zoals bijvoorbeeld een nog niet betaalde rekening of afgeloste lening, maar ook begrafeniskosten, legaten die uitgekeerd moeten worden en bepaalde aanspraken die krachtens het erfrecht kunnen ontstaan.[2]

Verhaal

Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen der nalatenschap verhalen. Daarnaast is in de wet uitdrukkelijk bepaald dat de erfgenamen van rechtswege schuldenaar worden van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan.[3] De schulden gaan dus over op de erfgenamen! Als schuldeiser van de erflater heb je dus twee mogelijkheden. Je kunt je vordering verhalen op de nalatenschap en je kunt de schuld verhalen op het eigen vermogen van de erfgenaam. Dit laatste overigens alleen maar wanneer de erfgenaam de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, of bepaalde handelingen heeft verricht of nagelaten ten nadele van de boedel.

Om als erfgenaam te voorkomen dat je met je privévermogen aansprakelijk wordt, is het uitermate raadzaam om de erfenis beneficiair te aanvaarden. In de praktijk komt dit dan ook steeds vaker voor. Voor de schuldeiser resteert dan alleen nog de eerste mogelijkheid. Het verhaal op de nalatenschap.

Om erachter te komen of er sprake is van een beneficiaire aanvaarding kun je navraag doen bij het boedelregister, dat wordt aangehouden bij de rechtbanken. In dat register wordt vermeld of er sprake is van een testament en of er beneficiair is aanvaard. Ook andere van belang zijnde informatie wordt hierin vermeld, zoals een eventueel benoemde boedelnotaris en executeur.

Aanspreekpunt

Blijkt uit het boedelregister en uit eventueel nader ingewonnen informatie bij de boedelnotaris dat er sprake is van een executeur, dan moet de schuldeiser zijn vordering bij deze executeur neerleggen. De executeur is expliciet aangewezen om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte [4].

Is er geen executeur, dan zal de schuldeiser zich tot alle erfgenamen moeten wenden.

Niet de enige

Niet zelden komt de schuldeiser tot de conclusie dat hij niet de enige is die wat te vorderen heeft. Er zijn bijvoorbeeld meer schuldeisers zoals belastingschulden. Ook kan sprake zijn van legaten of giften die door de erflater zijn gedaan maar nog niet zijn uitgevoerd. Hoe moet dan worden verdeeld? Wie krijgt wat? Ook daar is aan gedacht. De wetgever heeft een volgorde van schulden opgenomen mede met als doel de schuldeiserspositie te beschermen.[5]

Vereffening

Wordt een nalatenschap niet beneficiair aanvaard en niet verworpen, dan hebben de schuldeiseres een comfortabele positie. Ze kunnen immers zowel bij de nalatenschap als bij de erfgenamen in privé terecht. Is de nalatenschap wel beneficiair aanvaard, dan dient deze vereffend te worden.[6] De vereffening is vergelijkbaar met de afwikkeling van een faillissement. De vereffenaar dient de schuldeisers op te roepen om hun vordering in te dienen. Hij moet de activa te gelde maken en de schulden overeenkomstig hun voorrangspositie betalen. Pas nadat de vereffening heeft plaatsgevonden mogen de erfgenamen tot verdeling van de (restant) nalatenschap over gaan. De schulden gaan voor.

Is er geen sprake van een vereffening dan lijkt de positie van de schuldeiser minder goed gewaarborgd.[7] Want wat als de erfgenamen in onderling overleg besluiten om de nalatenschap te verdelen voordat de schulden zijn betaald?

 

Is er sprake van dat de erfgenamen tot verdeling over gaan voordat de opeisbare schulden zijn voldaan of bestaat het gevaar dat de schuldeiser niet volledig of niet binnen redelijke termijn zijn vordering voldaan krijgt, dan kan hij alsnog aan de rechtbank verzoeken om een vereffenaar te benoemen.[8]

 

Leek, 20 juli 2018

Mr. Jan-Willem van Horssen[9]

[1] Voor de leesbaarheid is uitdrukkelijk gekozen voor een beknopt artikel op hoofdlijnen. Bedacht moet worden dat de wet in veel gevallen uitzonderingsbepalingen kent.

[2] Zo kent de wet in afdeling 2 van titel 3, boek 4 BW een aantal wettelijke rechten op grond waarvan bepaalde erfgenamen een vordering op de nalatenschap kunnen claimen.

[3] BW 4:1822

[4] BW 4: 1441 en BW 4: 1452

[5] Zo is bijvoorbeeld bepaald dat “gewone” schuldeisers voorrang genieten boven bijvoorbeeld legaten.

[6] De wet kent daarop een drietal uitzonderingen, waarbij de boedel voldoende verhaal biedt

[7] Zo behoeft er bij een beneficiaire aanvaarding niet vereffend te worden wanneer er een executeur is benoemd die de bevoegdheid heeft om schulden van de nalatenschap te voldoen en de omvang van de nalatenschap “ruimschoots toereikend” is om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.

[8] Dit verzoek kan de schuldeiser ook doen, wanneer zijn belangen door een gedraging van de erfgenamen  of van de executeur ernstig worden geschaad.

[9] J-W.F. van Horssen is als gespecialiseerd erfrecht- en familierechtadvocaat en MFN-registermediator werkzaam bij van Horssen & van Ophoven advocaten en mediators te Leek en Delfzijl.

Wilsrechten

Is er geen testament gemaakt, dan wordt een nalatenschap afgewikkeld volgens het wettelijk erfrecht. Is er sprake van een langstlevende ouder en tenminste één kind, dit hoeft geen minderjarige te zijn, dan is de “wettelijke verdeling” van toepassing. De erfenis wordt dan verdeeld op een door de wet voorgeschreven wijze. De langstlevende erft dan alle bezittingen en schulden, de kinderen krijgen “slechts” een geldvordering op de langstlevende ouder, die pas opeisbaar is bij het overlijden van de langstlevende ouder, welke vordering onder omstandigheden verhoogd wordt met een rente. Een regeling die over het algemeen goed verteerbaar is want in de meeste gevallen wil de erflater immers dat zijn partner goed verzorgd achter blijft. De langstlevende wordt op deze wijze door de wetgever beschermd zonder dat het nodig is om een testament te maken.

Onder het oude recht, van voor 2003, lag dit anders. Wilde je je partner dan beschermd achter laten, dan moest je wel iets regelen. Veelal werd dan gekozen voor het opnemen van de zogenaamde Ouderlijke Boedel Verdeling in een testament.

Een regeling die, over het algemeen, goed te verteren is. Maar een regeling die ook kan gaan knellen. Bijvoorbeeld wanneer de langstlevende opnieuw in het huwelijk treedt of een geregistreerd partnerschap aangaat. Het gevaar bestaat dan dat de goederen van de nalatenschap, bij overlijden van langstlevende vererven naar de nieuwe echtgenoot. De goederen uit de nalatenschap kunnen daardoor in een andere familie terecht komen terwijl de kinderen slechts een geldvordering hebben. Dit kan onwenselijk zijn, zeker wanneer het goederen zijn die bijvoorbeeld een grote emotionele waarde hebben. Het is dan moeilijk te verkroppen dat een derde daarmee van doorgaat.

Ook daar heeft de wetgever over nagedacht. In bepaalde situaties, zoals bij hertrouwen van de langstlevende, of diens overlijden nadien, kunnen de kinderen alsnog aanspraak maken op goederen uit de nalatenschap in plaats van de geldvordering. De kinderen kunnen dan hun zogenaamde wilsrechten uitoefenen.

De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking deze wettelijke wilsrechten opheffen, beperken of uitbreiden.

Meer weten over de wettelijke verdeling en/of de wilsrechten? Neem dan geheel vrijblijvend contact op.

 

Vergeten pensioenen

(een uitstapje naar pensioenrechten bij scheiding)

Nog niet zo heel lang geleden verschenen er berichten in de krant dat er bij een echtscheiding onvoldoende aandacht wordt besteed aan de door de (ex-)partners opgebouwde pensioenrechten. Dit zal u niet overkomen, wanneer u bijstand hebt van een advocaat, aangesloten bij de Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsbemiddelaars. Maar dit daargelaten.

Vanaf 1 mei 1995 geldt in Nederland de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding. In deze wet is bepaald, dat u en uw ex-echtgenoot bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed allebei recht hebben op een deel van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. De wet noemt vervolgens een aantal keuzemogelijkheden.

Toen deze wet nog niet gold dus voor 1 mei 1995, werden pensioenrechten verdeeld op basis van uitspraken van de Hoge Raad.

Nu komt het voor dat er in het verleden vergeten is om afspraken te maken over de verdeling/verevening van de ouderdomspensioenrechten en wat dan?  Vrij recent mocht het Gerechtshof Den Haag (6 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:716) zich over een kwestie buigen waarbij de man en de vrouw in 1970 in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd welk huwelijk in 1982 door echtscheiding werd ontbonden. Er was een echtscheidingsconvenant opgemaakt, maar daarin was niets opgenomen over de door de man opgebouwde pensioenrechten. De man gaat met pensioen in 2004 en in dat jaar schrijft mevrouw hem twee brieven waarin zij aangeeft aanspraak te willen maken op een deel van dit pensioen. De man reageert niet. 12 jaar later ontvangt de man een dagvaarding. De vrouw vordert alsnog verrekening/verdeling van het ouderdomspensioen. In deze procedure mocht het Gerechtshof een aantal beslissingen nemen. De man voert namelijk het verweer dat de vordering van de vrouw zou zijn verjaard. Daarnaast stelt hij dat er sprake is van rechtsverwerking.

Het beroep van de man op verjaring is niet gek. Want in artikel 3:306 BW is bepaald dat een rechtsvordering door verloop van 20 jaren verjaard, indien de wet niet anders bepaald. De echtscheiding is in 1982 ontbonden en de termijn van 20 jaar is al lang en breed verstreken.  Het Gerechtshof verwerpt het beroep op de verjaring en wijst er op dat in gevolge artikel 3:178 BW een deelgenoot te allen tijde een verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen en de woordjes te allen tijde, brengen met zich mee dat een vordering tot verdeling kan nimmer verjaren.

Vervolgens moest het Gerechtshof zich buigen over de vraag of het beroep van de man op rechtsverwerkingen gaat. Op zich ook geen raar standpunt van de man. Immers, in 1982 wordt de echtscheiding ontbonden, in 2004 gaat hij met pensioen. De vrouw weet dit en schrijft hem twee brieven over verrekening van het pensioen en pas 12 jaar later komt zij daadwerkelijk in actie door middel van het starten van een procedure. In de praktijk gaat een beroep op rechtsverwerking niet snel op. Want vaste jurisprudentie is dat louter en alleen stilzitten geen grond van rechtsverwerking oplevert. Daar is meer voor nodig. Er moet sprake zijn bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) te gelde zou maken, of als gevolg waarvan de positie van de man onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken. In dit geval was er feitelijk alleen maar sprake van stilzitten van de vrouw. Maar het Gerechtshof komt de man enigszins tegemoet. De Haagse raadsheren vinden dat de man onredelijk zou worden benadeeld indien hij de reeds ontvangen pensioentermijnen, vanaf 2004, de pensioendatum, nog zou moeten verrekenen met de vrouw nu de vrouw 12 jaar heeft gewacht met het ondernemen van stappen. Het Gerechtshof oordeelt dat van rechtsverwerking geen sprake is. De man zal zijn pensioen moeten verdelen, maar dit geldt niet voor de reeds door hem ontvangen termijnen.

 

Een moeilijk onderwerp

Als er  één onderwerp is dat heel moeilijk bespreekbaar is, dan is het wel de erfenis, wanneer de eerste ouder is overleden en de andere ouder nog leeft, de zogenaamde langstlevende. Nog altijd is het zo in Nederland dat in de meeste gevallen geen testament wordt opgemaakt. In dat geval is er, wanneer er sprake is van een langstlevende ouder en tenminste één kind, sprake van “de wettelijke verdeling”. Deze wettelijke verdeling komt er kort gezegd op neer dat de nalatenschap van de eerst overledene als volgt wordt verdeeld. Alle bezittingen en schulden gaan naar de langstlevende en de kinderen krijgen een vordering op de langstlevende overeenkomstig hun erfdeel. Een vordering die voor de kinderen in de regel, er zijn uitzonderingen, pas opeisbaar is wanneer de langstlevende komt te overlijden. De langstlevende ouder merkt hier dus weinig van. En hier ontstaat het eerste misverstand. Vaak weet de langstlevende helemaal niet dat er sprake is van een vordering van de kinderen. Hij of zij weet niet beter dan dat alles voor de langstlevende is. En wanneer de kinderen de werkelijke situatie proberen uit te leggen stuit dit nogal eens op onbegrip. Soms ontstaat bij de langstlevende zelfs het gevoel dat de kinderen op hun geld uit zijn.

En dat zal ook best wel eens het geval zijn. Toch is het  jammer, wanneer hier niet in alle openheid over kan worden gesproken want, daardoor wordt vaak van gunstige regelingen geen gebruik gemaakt.

Stel dat ook de langstlevende komt te overlijden. De kinderen krijgen dan de vordering uit de nalatenschap van ouder 1 en hun aandeel in de nalatenschap van de langstlevende. En omdat verkrijgingen krachtens erfrecht belast worden met erfbelasting volgt dan een dikke aanslag.

Zou nu na het overlijden van ouder 1 erkend zijn dat de kinderen een vordering hebben gekregen op de langstlevende, en zou hier tussen de erfgenamen een (niet-opeisbare) rente vergoeding zijn afgesproken, dan zal na het overlijden van de langstlevende zijn erfenis minder groot zijn, omdat daar eerst de rente aan de kinderen vanaf moet. Gevolg is dat er aanzienlijk minder erfbelasting betaald hoeft te worden. En dat is iets waar iedere belastingbetaler toch vrolijk van wordt. En dat is een voorbeeld van wat ook wel estate-planning wordt genoemd.

Aan het maken van dit soort rente-afspraken zijn meerdere voorwaarden verbonden. Het voordeel dat te behalen is per geval verschillend en afhankelijk van de omvang van de nalatenschap in verband met vrijstellingen die gelden en verschillende tarieven. Laat je dan ook goed adviseren alvorens je dergelijke afspraken maakt. Maar maak ze wel!

Artikel 3 lid 1 Successiewet 1956

Een Nederlander die in Nederland heeft gewoond en binnen tien jaren nadat hij Nederland metterwoon heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan wordt geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de schenking in Nederland te hebben gewoond.

Volgens artikel 1 van de Successiewet is erfbelasting c.q. schenkbelasting verschuldigd wanneer de schenker of de erflater op het moment van schenken of overlijden binnen ons Koninkrijk woont. Wanneer de erflater op het moment van overlijden in het buitenland woont is deze belasting niet verschuldigd.

Stel je voor dat een erflater of een gulle gever naar het buitenland zou verhuizen om heffing in Nederland te voorkomen. Dat wilde de schatkist natuurlijk voorkomen. Vandaar de bepaling van artikel 3.

Rechtvaardiging is gezocht in het feit dat deze Nederlanders nog een band hebben met ons land en dat zij, omdat zij een Nederlands paspoort hebben ook ondersteuning van diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland genieten.

Volgens de Hoge Raad is hier geen sprake van discriminatie tussen Nederlanders en niet-Nederlanders (HR 10 juni 1992, BNB 1992/258)